De Tien Geboden

Ah, de zomer is in het land.

Menigeen maakt zich weer klaar voor een deugddoende vakantie bij de Costa Del Betere Oorden.

Ik spreek uit ervaring als ik zeg dat mensen spijtig genoeg vaak ontoerekeningsvatbaar worden (van de zenuwen?) wanneer ze aan boord van een vliegtuig komen.

Die twee mannen (of vrouwen) vooraan hebben nochtans hun vliegbrevet niet bij een pak cornflakes gekregen en het lieftallige cabinepersoneel weet ook wel waarmee ze bezig zijn.

Alleen: de communicatie aan boord verloopt niet altijd optimaal.

Hier volgen Tien Geboden die het leven aan boord een stuk makkelijker kunnen maken. Goedbedoeld advies voor de passagiers van goede wil.

En zo kan iedereen met een blij gemoed naar Happyland vertrekken.

 

 

Gebod 1: probeer geen kosten te besparen door alles in een oversized handbaggage te proppen.

Het klinkt als een goed idee. Geen grote koffer meer inchecken en gewoon een handbaggage meenemen. Tegenwoordig zijn er überhippe, lightweight trolleys op de markt die ‘cabin sized’ zijn. Helemaal in stijl flaneer je gezwind, trolley nonchalant meesleurend,  door de brug naar de vliegtuigdeur. De ratelende wieltjes geven je een zeker mondain gevoel, echte jetset…Tot je plots vriendelijk maar vastberaden wordt tegengehouden door de steward(ess) die je meedeelt dat je cabin sized trolley niet meer in de cabine past. En beneden bij de grote baggage in de buik van het vliegtuig moet.

Dit doet hij/zij niet omdat hij/zij slecht geslapen heeft, maar om de simpele reden dat de bagagerekken vol zitten. Onbegrijpelijk? Wel, hoogstwaarschijnlijk ben je niet de enige die met een trolley aan boord is gekomen. En er zijn nu eenmaal maar een beperkt aantal bagagerekken. Als je weet dat er –met veel geluk- maar maximum twee trolleys in een vak passen, dan is het niet onlogisch dat niet alle 189 passagiers hun kleinood op wieltjes kwijt kunnen. En nee, hij mag niet achter de zetel van de laatste rij.

Zoals helaas nog te vaak gebeurt kun je het op een schelden zetten of proberen een knap staaltje Griekse Tragedie ten berde te brengen.

Dit werkt -voor alle duidelijkheid- niet. Nooit. Laten we deze tactiek dan maar voor eens en altijd de vergeetput in duwen.

De enige optie is: zo snel mogelijk, in een hoekje waar je andere passagiers bij het instappen niet hindert, de spullen die je denkt nodig te hebben tijdens de vlucht uit de trolley te halen en de trolley mee te geven aan de bagagist. Vergeet zeker geen (reis-)documenten, cash geld en medicatie te verwijderen. En eventuele lithium-ion batterijen. Want ‘dat’ willen we zeker niet op ons geweten hebben omdat we per se een paar euro wilden uitsparen.

Een klein gebedje opdat de trolley zonder krassen en deuken van de bagageband zal rollen is eveneens wenselijk.

 

 

Gebod 2: ge zijt veel mooier als ge lacht. En uw instapkaart laat zien.

Je krijgt maar 1 kans om een eerste indruk te maken. Dan is het toch beter dat de crew ziet dat er een goedgeluimde, sympathieke medemens binnenstapt dan een onbeschofte ***hole? Geloof me, het kan nog van pas komen. Ieder mens heeft het in zijn natuur net een tikkeltje extra zijn best te doen voor iemand die hij of zij leuk vindt. Altijd.

Begin bij het instappen al niet te zeuren tegen de purser dat je net jouw instapkaart hebt weggestoken. Het interesseert haar niet dat je op 17B zit. Haar interesseert het enkel dat je op de juiste vlucht zit en geen slechte bedoelingen hebt.

Wees welkom.

 

Gebod 3: de vloer is lava.

Eindelijk de toegewezen zitplaats voor de komende uren gevonden? Goed zo.

Nu is het jouw verantwoordelijkheid om zo snel mogelijk plaats te nemen en de dingen vooruit te laten gaan. Aangezien je al een kwartier de tijd hebt gehad bij de check-in om jouw Woordzoeker/iPad/Crash Survivalgids voor Dummies te zoeken en uit je tas te halen is er geen reden meer om te staan lummelen. Hou je jas nog even aan of neem hem op je schoot. Straks als de bagagrekken gevuld zijn kun je ‘m alsnog op de baggage leggen, zo kreukt hij ook veel minder.

Ja, dit mag zelfs na het opstijgen wanneer het fasten seatbelt lampje is uitgegaan.

Ontevreden over jouw plaats? Neem ‘m toch maar even. Na het opstijgen heeft de crew tijd om na te denken hoe ze jou toch nog bij jouw misses/mister/reisgezel kunnen krijgen. Dit vergt wat mathematisch inzicht en puzzelwerk en is behoorlijk stresserend tijdens een drukke boarding.

Het is voor de crew prioritair om iedereen aan boord te krijgen en zo snel mogelijk op te stijgen.

Iedere minuut vertraging is een minuut minder vakantie, toch?

 

Gebod 4: you can leave your shoes on

Vreemd genoeg hebben mensen, eens ze neerzitten, de bizarre gewoonte om hun schoenen uit te schoppen. Alsof ze thuis in de zetel een potje Netflix gaan liggen kijken.

Als je last hebt van gezwollen voeten: je doet aan uitstel van executie. Het is veel erger om met uitgezette zwanworst-tenen terug je knellende schoenen aan te trekken dan ze gewoon lekker compact in de schoenen te laten. Dat werkt zelfs een beetje als een corset, zo blijven ze in toom.

En denk aan de medepassagiers en het cabinepersoneel. Het zou niet de eerste keer zijn dat de steward(ess) in het voorbijgaan even loert of er misschien ergens een camembertje van de vorige vlucht op de grond is achtergebleven.

Weet ook dat vliegtuigvloeren niet bepaald proper zijn. Er gebeuren nogal eens ongelukjes. En het water op de toiletvloer waar je zonet blootvoets bent ingetrapt?

Wel, dat is geen water.

 

Gebod 5: denkt even na voor ge gaat. Of terugkomt.

Natuurlijk hoopte je dat jouw blaas het zou volhouden tot op de begane grond. Maar helaas, je zit in een cabine onder druk en hebt net van een lekker verfrissend glaasje Fanta genoten.

Maar hoe pakken we dit aan tijdens de service?

Het is eigenlijk simpel. Kijk even wat de crew aan het doen is.

Staat er een maaltijdtrolley twee rijen voor je? Wacht dan even tot ze voorbij zijn.Anders moeten ze een heel manoeuver uitvoeren om jou door te laten. Dat is gewoon een kwestie van etiquette. Zit je in het midden en ben je aan weerszijden ingesloten? Vraag dan even beleefd (mét glimlach!) of je mag passeren. Dat is heus niet zo erg. Nog een welgemeend bedankje en het is helemaal ok.

Maar nu komt het tricky gedeelte. Het terugkeren.

Wel: daar is eigenlijk maar 1 regel voor. Wat je ook doet, ga niet als een bronstig hert staan hijgen in de nek van de steward(ess) aan de trolley. Hou afstand als je toch wil wachten in het gangpad! Er moeten dingen uit de trolley genomen worden en de kans is groot dat het tot een botsing komt. Hou de dirty dancing maar voor op de beachparty vanavond.

Als je toch niet kan wachten, doe beleefd teken en vraag of het mogelijk is om je door te laten.

Ook met de glimlach. Vergeet alweer niet te bedanken.

 

Gebod 6: thank you very much

In gebod 5 kwam het al aan bod: bedank de crew.

Het is geen moeite en het maakt een wereld van verschil.

Wanneer men vraagt wat je wil drinken, zeg dan ‘een glaasje water alstublieft’ in plaats van ‘water’. Dit is ook van toepassing op alle andere drankjes/snacks die worden aangeboden.

En zeg daarna: ‘dankuwel’.

Moeten we dit op kleuterniveau uitleggen?

Jammer genoeg wel.

 

Gebod 7: hang niet de rebel uit

Iedereen kent het wel: turbulentie.

Er wordt in drie talen gevraagd te blijven zitten en de toiletten niet te gebruiken. En toch is er altijd een Jolige Jan die het een goed idee vindt om stiekem, wanneer het personeel net voorbij is gekomen, het toilet in te duiken. Of een vrouw die het niet nodig vindt om haar kind, ‘dat net slaapt’, vast te maken.

Wel…het is een risico. Een groot risico.

Turbulentie kan soms grillig zijn. Het kan dan lijken of er niks aan de hand is, maar de piloten krijgen op voorhand waarschuwingen over mogelijk zwaardere luchtzakken.

Dat lampje brandt dus wel degelijk om een reden.

Tik drie woorden in op Google: severe turbulence accidents.

Graag gedaan.

 

Gebod 8: kijkt in uwen eigen talloor

Wanneer de crew niet bezig is met de service kunnen ook zij een hapje eten. Als je dringend iets nodig hebt, mag je dat altijd beleefd vragen. Sta je aan te schuiven bij de toiletten, dan is een vriendelijk toegewenste ‘smakelijk’ nog best lief.

Maar hou het daarbij. Sta niet te gapen naar elke hap die de steward(ess) in zijn of haar mond steekt en hou de commentaar voor jezelf.

Ja, dat is ook vliegtuigvoedsel en nee, dat is inderdaad niet hetzelfde als wat u net gegeten hebt. Toedels!

 

Gebod 9: keert voor uw eigen deur

Vooral op lange-afstandsvluchten een gekend fenomeen. De passagiers verlaten het vliegtuig en de cabine ziet eruit alsof er een driedaags muziekfestival heeft plaatsgevonden.

Overal bekertjes op de grond, platgetrapte chips, koekjes, verscheurde inflightmagazines,…

Heb respect voor jouw zitje. Hou het proper. Het personeel komt vaak genoeg langs met afvalbakken. Wees dan niet te lui om dat lege bekertje mee te geven.

Zet gewoon die spannende film even op pauze.

Voor de landing wordt er altijd nog een laatste afvalronde gedaan. Dit wordt zelfs aangekondigd. Het is een kleine moeite om dan even te controleren of de seat pocket trashvrij is en er niks meer op de vloer ligt.

We hebben toch ook graag een proper huis?

 

Gebod 10: relax, my friend

Blijf na de landing rustig zitten tot het fasten seatbelt lampje uit is gegaan.

Het heeft ook geen nut om vooraan in de galley te staan ronddraaien wanneer de deur nog moet geopend worden. Je staat daar in de weg.

Als je op de eerste vakantiedag niet meteen dental surgery gepland hebt, zet je beter een stapje terug het gangpad in. Want op bepaalde toestellen kan de deur best een venijnige zwaai maken.

 

Stap geduldig uit. Groet en bedank de crew kort en bondig.

Glimlach.

De vakantie is begonnen!

 

Saaie Muts

Sinds 1 februari is het al bezig. Nee, eigenlijk sinds begin januari. Na het verwerken van de laatste nieuwjaarskater is menigeen van de daken aan het schreeuwen dat ze ‘vanaf volgende maand’ zullen beginnen met het stoppen met het nuttigen van alcohol.

En zo geschiedde. Ik moet maar mijn Facebook of Instagram openen en ik word gebombardeerd met foto’s van detox-shit, ‘gezonde’ drankjes en triomferende mensen met een lichte melancholie in de ogen. Allemaal hopend op een duimpje of een bemoedigend woordje in hun strijd tegen de vijand, a.k.a. de verleiding van het goede leven.

Face it: onze maatschappij begint het rock’n rollgehalte van een paar lichtblauwe Crocs te krijgen.

Voor de A.A. me hier gaat aanvallen: ik vind het op zich niet slecht dat mensen hun dierbare lever een beetje respijt geven na de bacchanalen die de eindejaarsperiode met zich meebrengt. Het is alleen een beetje…saai. Moet dat nu echt allemaal zo en plein publique?

Wie heeft er nu eigenlijk een boodschap aan dat een ander ‘geweldig goed bezig’ is door keigezond te eten, niet meer te drinken  en te leven op veel te dure, fancy detox-sapjes? En blijkbaar is koffie nu ook al een collectieve vijand geworden. Dat was voor mij het breekpunt. Ik snap de gezondheidsvoordelen van geen alcohol drinken, minder vet te eten, bla bla…Maar koffie?

Het goddelijke wondergoedje dat me vanbinnen lekker warm maakt, dat ervoor zorgt ik überhaupt aan mijn dag kan beginnen, dat me bijstaat tijdens nachtvluchten, dat een lekker stukje chocolade nog lekkerder maakt?

Ik bedoel maar: wat is daar nu in godsnaam weer mis mee?

En dan de hashtags: ‘what’s your excuse?’ Euhm…Excuus voor wat? Laat me gewoon met rust. Ik heb geen belerend vingertje van de Gezondheids-Gestapo nodig.

Ik ben zelf oud genoeg om te beslissen of ik ga sporten of me nog eens lekker omdraaien in bed. Of ik vanavond een salade ga eten of nog eens bij Pizza.be ga shoppen. Of ik, als ik op stap ben, de dag erna ruimte en tijd heb om een klein katertje toe te laten of de hele dag lamlendig in de zetel te hangen tot ik fit genoeg ben om een dikke pasta carbonara (beste anti-katermaaltijd ooit, bedank me later maar) naar binnen te duwen. Alleen: dit zijn mijn eigen beslissingen en hier heeft niemand ook maar iets mee te maken.

Ik maak mij dan ook de volgende bedenking: hoe kritisch maakt het collectief streven naar ‘hoe het moet’ ons? En dan vooral: onze jongere generatie die, hoe je het ook draait of keert, in onze voetsporen zal treden.

Ik ben nog opgegroeid in het pre-social media tijdperk. Dus ik moest het hebben van de peer pressure van artikels over diëten en gezondheid in de meest gangbare vrouwenbladen.

Die ik ook dicht kon slaan als ik ze niet wilde zien. Waar ook toen, een goeie twintig jaar geleden, het evenwicht tussen ‘lief zijn voor jezelf’ en streven naar perfectie al driftig bediscussieerd werd.

Maar nu, dankzij de constante propanganda die ons door de strot wordt geduwd door ‘zij die weten hoe het moet’, rust er wel een constante druk op de maatschappij om mee te doen, om te volgen, want het is goed voor ons. Kortom: wij zijn saaie mutsen aan het worden.

En het werkt. Ik kom maar al te vaak jonge meisjes tegen die bezig zijn met de gezondheidshypes, maar zich eigenlijk gewoon ronduit slecht in hun vel voelen.

Omdat ze het gevoel hebben niets goed te kunnen doen. Omdat elke ‘zonde’, zoals daar zijn: het eten van een pak frieten, een keertje sport overslaan, een glaasje teveel drinken, aanvoelt als falen.

En dat laatste is de bittere realiteit.

Wij zijn toch allemaal mensen. En wij hebben toch allemaal maar een beperkte houdbaarheid? Hoe heerlijk is het dan niet om onszelf een beetje te verwennen, een  pleziertje te gunnen? Om het leven zo aangenaam en stressvrij mogelijk proberen te maken.

Ik pleit voor het goeie leven. Ik pleit voor je eigen keuzes maken en de consequenties daarvan te dragen. Ik pleit voor interessantere posts op social media.

Doe nog eens zot. Alstublieft?

Procrastinatie Please

Ik heb nooit genoeg tijd. Enfin, wanneer ik in mijn homebase, mijn oh zo dierbaar Hasseltje, vertoef toch. Omdat ik zo vaak tijd spendeer op andere continenten, blijven mijn thuis-activiteiten vaak op een laag pitje staan.

Tot ik dus effectief thuis ben.

Er staat altijd wel een mand was te springen om in de machine geduwd te worden (okee, dat is niks), maar om daarna alles op mijn kleine krakkemikkige Ikea wasrek weggehangen te krijgen, vergt toch enig mathematisch inzicht.

Dan volgt de tijdrovende bezigheid die strijken is.

Ook is er nog mijn lijf. Mijn eigen machine die doorgaans wel doet wat ervan gevraagd wordt, maar me ook maar al te graag onomwonden laat zien welke verwoestende schade een doorsnee decembermaand zoal kan aanrichten. Blubbertjes enzo.

Dus: er moet gejogd, gesquat en gesit-upt worden.

Tenslotte zijn er nog: het huis proper houden, boodschappen doen, ouders bezoeken (helaas al dan niet in het ziekenhuis) en wat gezelligheid met het lief.

Ook is er altijd wel iemand van de dierbare vrienden waarmee moet ge-quality-timed worden, want we zien elkaar al zo weinig.

En ook, grif toegegeven: ik heb meestal wat jetlag weg te slapen. Dus verwacht me niet onder de levenden voor 10.00 ’s morgens. Als ik mijn best doe.

Weinig tijd dus voor een hoop activiteiten.

Flink als ik ben, neem ik me dan ook telkens voor om een schema te volgen. Minutieus berekend om zo efficiënt mogelijk alle activiteiten naadloos in elkaar over te laten vloeien. Squatten aan de strijkplank of de douche poetsen terwijl ik eronder sta zijn maar een paar voorbeelden van mijn inventieve gewoontes.

Het probleem van de drukte stelt zich eigenlijk meestal gewoon in mijn hoofd. (Zoals de meeste van mijn problemen overigens, maar dat is een ander verhaal.)

Ik zie alles wat moét gebeuren tegelijk. Maar ik heb niet genoeg armen om alles tegelijk aan te pakken. Dus het gebeurt maar al te vaak dat ik gewoon als een kip zonder kop door het huis marcheer zonder effectief iets gedaan te krijgen.

En op die momenten pakt De Coach het over. De Coach woont ergens in een donker, krochtig kamertje in mijn hoofd en zal me constant met zijn vervelende fluitje aanmanen om alles wat moét gebeuren daadkrachtig aan te pakken. Nu meteen.

Niet dat ik dingen uitstel, maar…ik kom er gewoon niet toe. Ofzo.

Zoals bijvoorbeeld enkele weken geleden.

Ik ga op onderhoud met mijn wagen. Niet heel veel te laat. Heel plichtsbewust. Het zal ongeveer anderhalf uurtje duren, dus die tijd kan ik benutten door nog eens een bezoekje te brengen aan mijn BFF. Twee vliegen in één klap.

Wanneer ik ’s middags thuis zal komen, ga ik de badkamerkranen laten blinken zoals nooit tevoren, stofzuigen, de vervelende natuurhouten vloer die altijd in vlekken trekt nog eens goed behandelen met dat peperdure product en tenslotte verse lakentjes opleggen.

Ik zal eens laten zien hoe goed deze perfecte huisvrouw haar zaakjes op orde heeft.

Wanneer ik ’s middags nog steeds geen telefoontje heb gekregen van de garage begint er al een klein fluitje in mijn hoofd te weerklinken.

Ik speel oost-indisch doof en neem nog een stukje chocola bij de koffie. Uiteindelijk – nog een uurtje later- komt de verlossende oproep: de auto is klaar.

Ik pik mijn dierbare bolide van duitse makelij op (ze waarschuwt me met een vriendelijke ‘Bitte Tanken’ wanneer de tank bijna leeg is, de schat) en besluit, omdat mijn schema toch al aan diggelen ligt, gauw even langs het werk te passeren om één en ander in orde te brengen.

Als ik voor de spits thuisraak, kan er daarna alsnog gepoetst worden.

Zo hard moeten die kranen nu ook weer niet blinken.

Ik rij gezwind op mijn versgelegde winterbandjes over de autostrade.

De coach zwijgt, ik doe tenslotte iets nuttigs.

Wanneer ik een vrachtwagen voorbij steek –vanzelfsprekend op het meest gevaarlijke punt van het hele traject- maakt mijn karretje plots een ratelend geluid en begint ze vervaarlijk te schokken.

Ik slaak een gilletje en kan me nog net op de pechstrook knallen, waar ik met gierende banden tot stilstand kom.

Mijn duitse vriendin weet me te vertellen dat er iets mis is met de Stabilitäts-dinges.

No shit.

Om een urenlang verhaal kort samen te vatten: er is een takelwagen aan te pas gekomen die verkeerd geïnformeerd was en dus niet veel kon doen omdat zijn shift erop zat en dan nog een andere takelwagen, die me een retourtje garage heeft  gegeven om daar een vervangwagentje op te pikken. Om uiteindelijk ’s avonds tegen achten thuis te komen.

Terwijl ik zat te wachten op hulp en -vooral- niks te doen, was het alsof ik een eilandje van rust had gevonden te midden van de hectische, kolkende zee van to-do’s. Ik moést vanalles doen, maar ik kon niks doen. Tussen het vloeken en tieren door lachte ik stiekem en stak daarbij een dikke middelvinger op naar De Coach.

 

The Swimsuit Issues

Donderdagochtend. Terwijl ik in de keuken mijn koffie laat doorlopen trek ik de koelkast open. Ik neem een potje yoghurt en bekijk het. Het is eigenlijk nog zeker tien dagen houdbaar, dus ik kan er evengoed later van eten. In plaats daarvan prop ik een zelfgebakken zandkoekje in mijn mond en knikker ik een stuk pecan pie en een chocoladekoekje op mijn bord. Ik nestel me met mijn koffietje en lekkers onder een dekentje voor de tv.

Genieten. Toch zeker zolang mijn kaken aan het malen zijn. Wanneer ik mijn laatste brokje deeg heb doorgeslikt slaat het schuldgevoel al toe. Maar geen paniek! Straks, als alles wat verteerd is, trekken we naar de fitness.

Waarschijnlijk.

Was ik niet beter in de auto gesprongen en naar de fitness gereden met een nuchtere maag? Of had ik toch maar beter een yoghurt met verse perzik gegeten? En wat gaan we vanavond eten? Iets gezonds? Vlees of vis? Of alleen groenten met iets van koolhydraten?

Dit is mijn leven de laatste tijd. Levensbelangrijke beslissingen die geen zak uitmaken.

Wanneer ik mijn Instagram open verschijnt ze weer. De parade van gespierde buikjes en afgetrainde vrouwenlijven die vroeger, in de goeie ouwe tijd, wel eens als anorectisch werden bestempeld, maar waar nu opgestoken duimpjes bijstaan. En applaus-handjes.

Foto’s van normale vrouwen, zoals ik mezelf ook als normaal beschouw, die ineens een voor-foto zijn geworden. De na-foto erbij geplakt van diezelfde vrouwen, maar dan gemiddeld tien kilo lichter, aders op de pelvis van het vetloze bestaan, sixpack en thigh gap, zongebruind en blakend van gezondheid ergens op een tropische locatie.

Ik ben me ervan bewust dat het merendeel van die vrouwen gemiddeld tien jaar jonger is dan ik. En mijn gezond verstand herinnert me eraan dat er ook zoiets als Photoshop bestaat.

Maar toch…

Mijn lijf en ik zijn nooit echt goede vriendjes geweest.

Als kind was ik een behoorlijke brok. En die brok kreeg steevast na elk Medisch School Toezicht als souvenir een folder met een slordig appeltje op getekend, mee.

Als enige van de klas. Wat een privilege.

Familiefeesten waren een evaluatie of ik weer was bijgekomen of eindelijk eens zou beginnen te puberen, zodat misschien eindelijk die overtollige kilo’s eraf zouden gaan. ‘Want als ze meisje wordt, zal ze wel vermageren.’ Ik meende trouwens dat ze ‘vrouw’ bedoelden maar ik zweeg gewoon en nam een flinke hap van de abrikozentaart die mijn tante voor het niet-obese deel van de familie gebakken had.

Als ik aan het snoepen was, wat ik graag deed want alles was zo lekker, werd me vaak gevraagd of ik nog niet dik genoeg was.

Na een bezoek aan de kinderarts was het zo ver: mijn moeder’s illusie over ik die gewicht zou verliezen als ik ‘meisje/vrouw’ zou worden, werd de wereld uitgeholpen door dit heerschap en ik werd op dieet gezet.

Mager eten (1 keer per maand frieten, die me sindsdien nog telkens ontzettende buikpijn bezorgen), fitness met mijn ouders (oh de schaamte als ik daar als enige kind rondliep en de andere sporters gingen klagen dat dat kind daar hun uitverkoren toestel bezet hield.) Ik herinner me de keren dat ik met mijn armen rond de poot van de keukentafel hing te brullen dat ik niet mee wilde alsof het gisteren was.

Mijn hele kindertijd ben ik extreem zelfbewust geweest en ik heb spijt dat ik de uren die ik heb staan huilen voor de spiegel niet heb gebruikt om insecten te gaan zoeken voor onder mijn microscoop te onderzoeken, boeken van Roald Dahl te lezen, te lachen tot ik buikpijn kreeg of radioshows te maken met mijn gele cassettespeler.

Toen de puberteit eraan kwam en daarbij ook het andere geslacht, vlogen de kilo’s eraf. Motivatie! Ik gooide mijn boterhammen vaak weg tijdens de lunchpauze, en in de zomer waren er momenten dat ik leefde op 1 druif per dag. Mager was ik, fantastisch. Maar het moment dat mijn toenmalige vriendje liefkozend zei dat ik een blubberbuikje had (ik was natuurlijk veel te snel afgevallen en mijn huid had zich niet meer kunnen herstellen, alle buikspieroefeningen ten spijt) heeft alle complimentjes en liefdesverklaringen onherroepelijk teniet gedaan in mijn herinnering.

De jaren gingen voorbij en mijn gewicht schommelde door de jaren heen met een kilo of vijf. Een periode van boulimie, crashdiëten en Weight Watchers later kwamen de stabielere jaren. Ik lette nog steeds een beetje op om ‘uitschieters’ te vermijden en ik had goede en minder goede dagen qua zelfacceptatie.

Mijn hele adolescentie ben ik extreem zelfbewust geweest en ik heb spijt dat ik de uren die ik heb staan huilen voor de spiegel niet heb gebruikt om te dansen op foute muziek, urenlang te telefoneren met mijn vriendinnen, stiekem te vrijen in de bosjes met mijn toenmalig vriendje.

Met het ouder worden zag ik in hoe banaal mijn jarenlange schermutseling met mezelf was. Want dat was het uiteindelijk. Was mijn leven zo leeg dat ik constant geobsedeerd was door mijn uiterlijk? Misschien. Of misschien was ik gewoon ziek. Er was geen dokter meer die me nog folders met appels toestopte, niemand die me nog vroeg of ik nog niet dik genoeg was wanneer ik aan het smullen was van een zakje chips. Maar in mijn hoofd waren ze er al die jaren wel nog geweest. En daar kon geen enkel goedbedoeld complimentje of geruststelling dat ik écht niet te dik was, iets aan veranderen.

En nu zijn we dus op het punt gekomen waarop het lijkt dat alles voor niks is geweest. Een ‘Mediummeke’ is niet meer okee.

Een ‘Mediummeke’ is een voor-foto geworden.

Mager is alweer de nieuwe norm. Alleen zit het nu geniepig verpakt onder een laag spieren en de noemer ‘gezond leven’.

Gezond leven is dus volgens de goeroe’s elke dag leven op een lepel havermout met blauwe bessen als ontbijt, een avocado als middageten, en wat kippenwit als avondeten. Daarbij nog elke dag een uur of drie op de fitness/crossfit/trampoline-met-handvat/hot Yoga en het is zo gepiept: de kilo’s zullen smelten als sneeuw voor de zon.

Nu mag iemand me wel eens uitleggen waar ze elke dag de tijd halen om uitgebreid te gaan sporten als je een normaal leven met partner (en soms nog wat nazaten) hebt. Microwave diner voor hen dan terwijl de vrouw des huizen haar kont gaat opkrikken met squats?

En al die gezonde keuzes qua eten: dat is toch ook een fulltime bezigheid? Om niet te zeggen hoe dodelijk saai de mensen die daar constant over praten, van worden. Op een feestje de minipizza’s afslaan om op een cashewnootje te knagen, luid verkondigend dat ze vanaf nu alleen nog maar paleo eten.

Paleo, het nieuwe leven, de redding voor iedereen met voedselintoleranties. Zoals de befaamde gluten-intolerantie, waarvan ik het bestaan zeker niet ontken, maar waarvan toch een deel van de zelfverklaarde patiënten bij dokter Google te rade is geweest.

Ik heb ook een tijdje gedacht dat ik gluten-intolerant was. Of lactose-intolerant. Of gist-intolerant.

Omdat ik al zoveel gastrospecialisten heb bezocht en niemand me iets wijzer kon maken, heb ook ik mijn eigen diagnose gesteld: ik heb helemaal zelf, op eigen houtje mijn darmen verkloot. Door jarenlang crashdiëten te volgen, door mezelf af en toe eens goed uit te hongeren, door als ik boos was op mezelf boven de pot te gaan hangen.

Niks intolerantie dus, behalve misschien eentje voor mijn lichaam.

Ik ben geen antropoloog maar het lijkt alsof gezond leven een nieuw statussymbool is geworden. “Kijk maar eens hoeveel zelfcontrole ik heb.” Opium voor het volk dat, wanneer het zich verloren voelt, zijn houvast vindt aan de bar. Ik bedoel de ijzeren stang op de fitness welteverstaan. De ironie.

Ik ben tweeëndertig jaar en extreem zelfbewust. Maar ik heb er geen zin meer in. Ik heb geen zin meer om tijd te verspillen met huilen voor de spiegel.

Ik wil leven, dansen, lachen, vrijen.

En eten.

Ik wil graag benadrukken dat ik op geen enkele manier een gezonde levensstijl afkeur. 

Deze blog is geschreven vanuit mijn oogpunt en mijn frustraties, niet bedoeld om iemand’s levensstijl te bekritiseren.

Peace Out.

De Kleine Nomade

‘Dus je gaat alweer verhuizen?’

Het was niet zozeer de vraag die me pikeerde; het was de manier waarop ze me gesteld werd.

Online, welteverstaan. Vergezeld met een smiley met een scheef lachje.

Een smiley die ik ook vaak gebruik, maar eerder voor stellingen als ‘ik denk niet dat die hoofdpijn met die fles Limoncello van gisteravond te maken heeft’ of ‘ik zal nog zien of ik tijd heb om te gaan sporten’.

Of ook te gebruiken na een cliché. Ik vind even geen goed voorbeeld.

Zo interpreteer ik ‘m tenminste.

En zo interpreteerde ik ‘m dus ook bij die ene vraag.

Alleen ‘tssss’ had het standpunt van mijn gesprekspartner nog duidelijker gemaakt.

Ik heb dus verhuisplannen. Om de wijsneuzen al maar een stap voor te zijn: ja, wééral, ja.

Dankzij mijn nogal -euh- luidruchtig verkondigende aard heeft iedereen die het wilde horen in het verleden al een beetje van mijn verhuiskuren meegekregen.

En inderdaad, ik moet toegeven dat ik de laatste vier jaar al veel verhuisdozen gevuld en weer leeggemaakt heb.

Zo ben ik een jaartje naar Schaarbeek vertrokken om daar net niet te mourir van eenzaamheid, in een landsgedeelte waar ik de mensen wel versta als ik moeite doe en de mensen mij wel verstaan als ik moeite doe. (scheef lachje, hier hebben we hem!)

Parc Cinquantenaire was wel mooi om te gaan joggen en ik woonde op acht minuten van mijn werk. Dat wel.

Maar vaak bedacht ik me dat wanneer ik dan toch uiteindelijk zou sterven aan één of ander longvirus dat veroorzaakt zou zijn door de grote schimmelvlek die zich net boven mijn hoofd bevond op de slaapkamer -en mijn huisjesmelker al maanden virtueel aan het repareren was- het waarschijnlijk lang zou duren eer men mij zou vinden. Zou de geile buurman die ooit het onzalige voorstel had eens langs het terras op visite te komen om me te bevredigen, als eerste onraad -euh- ruiken? (hier past alweer een scheef lachje)

Vervolgens heb ik me laten overhalen om naar Antwerpen te verkassen.

Idealistisch als ik ben zag ik een scenario vol goeie muziek, hippe bars, fashion, drank, feestjes,…

Dat heb ik ook gekregen. Zeker drie keer.

Pas op, ik heb erg leuke mensen leren kennen. Sympathieke buren, fijne collega’s,…

Maar ik mis het fundamentele thuis-gevoel.

Na een jaar verdwaal ik nog steeds in het centrum en moet ik nog altijd Google maps gebruiken om die ene koffiebar te vinden.

En nog altijd geen stamcafé. De horror.

Ook heeft iedereen hier al zijn leven. Zijn verleden en toekomst. Zijn lief. Zijn kennissen.

En hoe erg ik ook probeer in het plaatje te passen, ik blijf me de vreemde eend in de bijt voelen.

Een Liembuurgerke. Ik ben wel een wèreldbuurger maar tot op bepaalde hoogte.

Ik mis mijn teerbeminde stad. Zijn volledigheid in zakformaat.

Geen ingewikkeld netwerk van tramsporen om van punt A naar punt B te gaan.

Barpersoneel dat oprecht vriendelijk is wanneer je een pint bestelt en niet doet alsof het een privilege is om bediend te worden door hem of haar. (Misschien verwachten ze hier een reverence, ik weet niet wat de etiquette juist voorschrijft. In dat geval is het mijn fout en heb ik niks gezegd.)

Mijn woorden iets langer in mijn klankkast kunnen laten drijven alvorens ze de buitenlucht in te gooien zonder daar commentaar op te krijgen.

Mijn ouders dichtbij, zodat ik hen kan uitnodigen voor koffie en pateekes.

Mijn vrienden dichtbij. Oh, wat mis ik de spontane acties.

Nu moet er altijd minutieus geregeld worden. Ook geen evidentie met mijn extreem onregelmatig leven.

Mijn lief dichtbij. Inderdaad. Yep. Echt.

Verhuizen kan bij mij in de top tien van Dingen Die Ik Echt Haat gezet worden. Misschien tussen papierwerk in orde maken en naar de keuring gaan.

Maar het is iets wat ik moét doen.

Omdat op het moment dat ik de beslissing neem om te vertrekken, er een goede reden voor bestaat.

Omdat ik moet gaan kijken wat er aan de overkant is en of daar verbetering wacht.

Omdat het maar verhuizen is. Het zijn mijn centen en het is mijn leven.

Ik kom dus terug. En ik ga nooit meer weg. Tenzij daar een heel goeie reden voor bestaat.

Op. Op. Alles is op.

Het is crisis in Annekesland.

Crisis op zowat alle fronten waarop het crisis kan zijn.

Een nieuwe ‘wie/wat/waar ben ik?’  inclusief moodswings en slapeloze nachten heeft zich genadeloos aan mij opgedrongen. Ik heb een hele tijd voortgeraasd, geleefd en zogezegd verwerkt zonder stil te staan. En nu, met het finaal neerdwarrelen van de bladeren, heb ik alles in een hapklare portie frustratie op mijn ‘talloor’ voorgeschoteld gekregen.

Of het een goed idee is om mijn gal te gaan spuien op dit medium betwijfel ik zelf ten zeerste. Ik ben dan ook niet de vrouw van de goede ideeën. Maar ik zie het eerder als een vervroegd nieuwjaarsgeschenk, eentje dat ik mezelf doneer om eens echt alle vuiligheid uit mijn leven te borstelen.

Ik ben boos. Heel erg boos. Boos op alle Totentrekkers die mij de laatste vier jaar voor de gek hebben gehouden. Okee, toegegeven, het is wat kort door de bocht scheren van mij, want ik kan de verontwaardigde reacties van manspersonen die zich in mijn contreien hebben begeven door de jaren heen, al horen. Nee, degenen die hier niet bijhoren weten dat, sans doute. De anderen hopelijk ook.

Ik zal zeker niet beweren dat ik superieur ben. (Daar wordt overigens naarstig aan gewerkt. Binnenkort zou normaal het prototype van Mezelf Versie 7.8 op de markt moeten komen. Inclusief bug fixes, updates en een stabieler systeem, maar dit compleet terzijde.)

Maar in afwachting van deze feestelijke lancering vond ik het tijd om me eens een kritische bedenking te maken.

Ik ben, zoals de meesten wel zullen weten, nog altijd alleen. Ik zeg het bewust zoals het is: alleen. Ik behoor dus tot de groep sukkelaars die de minste centen binnenkrijgen en toch in verhouding onze samenleving het meeste steunen. Tot de groep die het beu is om de medelijdende blikken te krijgen als er een feestje is. En op datzelfde feestje vaak een foto voorgeschoteld krijgt van één of andere duffe achterneef die nét toevallig ook nog single is (moh, dat zou wel eens kunnen werken!). Ik kan hier nog wat in het lang en breed verbitterd over doorgaan, maar de feiten zijn de feiten.

En ik krijg regelmatig het goedbedoelde advies om te gaan daten, om nieuwe mensen te ontmoeten.

En zo geschiedde. Contacten werden er -euh- gehouden.

Telkens opnieuw ontmoette ik indringers, die me met hun zoete woordjes en loze beloftes (die ook wel vaak vaag waren ja -om achteraf weggevaagd te worden onder het begrip ‘eerlijkheid’ – want mijnheer had tenslotte nooit iets beloofd) spreekwoordelijk over mijn rode bolletje aaiden, me speels aankeken, me wilden laten merken hoe speciaal ik wel was.

Het gaat nu over de fase waarin we elkaar al een beetje kenden, dus niet over de ‘als ik wat ga humpen tegen haar op de dansvloer zou ik dan een klets krijgen of niet?-fase’. (Overigens niet zo’n aanrader. Bij mij toch niet althans.) De fase waarin er ook al wat meer geconsumeerd werd dan enkel een aperitiefje.

De fase waarop Mansmens me elke dag wilde zien, me overal mee naartoe sleepte, zelfs naar zijn ouders. Maar een relatie mocht ik het niet noemen, we zouden wel wat doen alsof. Hij was te beschadigd om ooit nog een relatie te hebben, maar ik was wel okee om mammie en pappie mee te spelen. Tot de radio silence op een dag intrad en mijnheer toch een Echte Relatie begonnen was. Moeder de Domme Gans mocht vanop de zijlijn toekijken.

Of de fase waarop Andere (Nog Ergere) Mansmens me meenam op zonnige uitjes naar het park, met aardbeien en een picknickdeken. Gezellig in het zonnetje vertelde hij mij dat hij misschien nog naar amandelolie rook. Nee, hij had zich niet gewassen met Le Petit Marseillais Amandelmelk en katoenbloesem, maar wel net een body to body massage met een ander meisje gehad. Nadat ik hem vriendelijk verzocht had om eens vierkant naar de Filistijnen te lopen, heeft hij me toch nog zeker een jaar lopen lastigvallen met de mededeling dat ik de vrouw van zijn leven was. Dat zag er me een veelbelovend scenario uit, dat leven met hem.

Er zijn ook voorbeelden van kortstondige indringers, wiens geur voorgoed uit mijn leven verdween met het wassen van de vuile lakens.

Zo was er de Profiteur (Al moet ik zeggen dat ik die in zijn pure vorm nooit zoveel ben tegengekomen. Er was altijd véél meer drama bij.), de zelfverklaarde Echtscheider (waar de wederhelft dan blijkbaar nog niet écht mee aan het echt-scheiden was, maar hey, dat is een detail), de Florent Nightingale die me kwam redden als het hem goed uitkwam, de Plakker (die ik ooit letterlijk van de grond heb moeten trekken na een duikvlucht uit wanhoop, jawel), de Trofeënjager die nog net geen baarmoeder-geweien aan zijn muur had hangen van wild dat hij geschoten had.

Bon, een heel scala aan ervaringen, zo heet dat dan, want de term mislukkingen zou wel eens kunnen impliceren dat dit allemaal negatief was. Terwijl gedumpt worden toch weer een wijze levensles is waar we dankbaar voor moeten zijn, aldus Ingeborg en de Wetten Van de Kosmos.

Ben ikzelf dan niet in de fout geweest? Absoluut. Ik ben de eerste om dat toe te geven.Ik ben ook niet altijd open en eerlijk geweest, ik heb soms ook getwijfeld, ik heb dingen ook soms laten aanmodderen.

Maar potverdikke gasten, als ge uzelf hier in herkent, denk dan maar eens na.

Ik heb een groot bakkes als ge me leert kennen, ik weet dat. Dat is nu eenmaal een gewoonte, ik ben tussen de ‘grote’ jongens opgegroeid, als abnormaal laat nakomertje.

Maar ik heb de plotse exodus altijd maar mogen aanvaarden en verwerken, zonder een overbodig ongemakkelijk gesprek achteraf.

Geen goeie uitleg, geen verklaring, geen excuses.

Nooit heb ik vuile wraakacties gepland. Nooit heb ik mijn mond voorbijgepraat wanneer ik moest zwijgen.

Nooit heb ik gestalkt, bedreigd, gesaboteerd, gezeurd.

En dit is het resultaat: ik ben op.

Ik ben genomen.

De liefde is een oneerlijke strijd: degene die het meeste voelt zal uiteindelijk de verliezer zijn.

Even Uithuilen Zonder Titel

De tranen blijven komen.

Het is alsof iemand me lek geprikt heeft aan beide ogen.

Zoute tranen die me in plaats van soelaas,

niks brengen dan een koortsachtig hoofd en een gezwollen neus.

Vandaag ben ik huilend de dag gestart.

De herfstige zaterdag die ik ook huilend zal beëindigen.

Huilend om hen die hun geliefden hebben verloren.

Om de lichamen die op de grond lagen, in een poel van donkerrood bloed.

Om de kreten van de overlevers.

Maar ook om mijn eigen angst

voor dat apocalyptische beeld, vlak voor het grote Niets

waarin ik dan verzwolgen zal worden.

Geen tsunami’s, aardbevingen of fenomenen die kunnen toegeschreven worden

aan natuurlijke selectie of een hogere macht.

Maar een huzarenstuk van mensen.

Een doemscenario tot leven gewekt

door mensen die net zoals ik van vlees, bloed en een hoopje darmen gemaakt zijn.

Die vaders, moeders, broers en zussen hebben.

Beste vrienden, kennissen, een huisarts en een lievelingsgerecht.

Die vrolijk worden wanneer ze dat ene nummer horen op de radio.

Die mensen willen ervoor zorgen dat andere mensen nooit meer onbezorgd hun leven zullen leiden.

Niet meer onbezorgd zullen buitengaan.

Niet meer onbezorgd zullen dansen wanneer niemand kijkt.

Niet meer onbezorgd zullen liefhebben.

Niet meer zullen hopen.

Als excuus een godsdienst die naastenliefde predikt,

omgevormd tot een meedogenloze, verschroeiende haat.

Als een onnozel kind sta ik erbij en kijk ik er naar

zonder er iets van te begrijpen.

Meer dan ooit wou ik dat er iemand

me even over mijn haren zou strelen

en zeggen dat alles okee is.

Er is niemand.

Hashtag Groen

Ik zat gezellig in de zetel te keuvelen met mijn BFF. Over mijn strapatsen met het andere geslacht, over het moederschap (dat van haar althans), over het werk. Kortom, de dingen waar je op een gewone vrijdagavond als BFF’s over keuvelt. Plots begon ik een betoog af te steken over iemand die ik kende, een meisje. Even oud als ik, maar wel tien kilo lichter. En ik vertelde dat ik haar een beetje tuttig vond, en dat ik haar figuur toch niet zo wauw vond. En mijn acht jaar jongere collega die net aan het bouwen was, die zou ook wel het één en ander van thuis meegekregen hebben. Ze keek me lichtjes kritisch aan en wendde toen haar blik -die boekdelen sprak- af. Ik vroeg haar om eerlijk te zeggen wat ze dacht. Ze vond dat ik tegenwoordig wel mensen taxeerde.

Quoi? Moi?

Mijn eigen laatste woorden galmden na in mijn hoofd en toen sloeg het voor mezelf in als een bom: Ik ben een monster geworden.

Ik vind het moeilijk om zelf toe te geven, maar het is een feit: ik heb blijkbaar last van de vuile, stinkende, bacterie genaamd afgunst. En het steekt de kop op in de meest uiteenlopende situaties: van iemand die net een KitchenAid heeft gekocht, tot iemand die er opvallend ‘putjesloos’ in bikini uitziet, tot iemand die zonet een prachtige wandeling met haar al even prachtige vent heeft gemaakt, liefst met een enthousiaste Golden Retriever erbij.

Conclusie: ik ben blijkbaar tegenwoordig 1 grote, wandelende homp frustratie.

Hier is een dringende interventie nodig van het Gezond Verstand.

Maar: hoe beginnen we hieraan en…waar ligt de basis hiervan? Vind ik mijn eigen leven dan zo verschrikkelijk?

Neen. Hoegenaamd niet.

Ik voel me als eeuwige twintiger -we gaan hier niet over details beginnen- best goed in mijn vel, heb de leukste vrienden ever, heb een zalige job vol afwisseling, en ben vrij als een vogelken. De wereld ligt nog verleidelijk lonkend open voor mij, klaar om verkend te worden. Hoe kom ik dan aan dat perfecte vergelijkingsmateriaal? Ik wil absoluut niet met het beschuldigende vingertje gaan wijzen, maar de schuldige ligt hier een halve meter verder onschuldig te wezen op de kast, met een donker schermpje momenteel. Mijn oh zo dierbare iPhone. Bron van wijsheid, sociale contacten, afspraken, uurroosters, wekkers, leuke filmpjes, smileys, en ook: frustratie. Het is dus een dunne koord waarop ik balanceer, want ik ga hier mijn dagelijkse -neen, dat is te bescheiden, ik ben er écht wel vaker mee bezig dan dagelijks- compagnon niet bepaald bewieroken. Ondanks het feit dat ik hem ook wel graag bepotel. Getuige deze blog, en mijn foto’s-met-een-knipoog op Instagram, of mijn profielfoto’s op Facebook die -grif toegegeven- ook wel eens een beetje te vaak durven veranderen. Guilty pleasures oftewel bezigheidstherapie.

Maar het internet is dus het walhalla van perfectie geworden. De tentoonstelling van Hoe Het Moet. En op zich is daar ook niks mis mee: ik vind er best wel leuke receptjes, of mode-ideeën en het blijft een leuke en handige manier om het contact te bewaren met je kennissen en vrienden en om je ex te bespieden. En Instagram is een beetje zoals het lezen van Elle magazine. Of Nest. Of Woef. Of Men’s/Women’s Health. Of de Victoria’s Secret catalogus. Of het Kookboek van de Boerinnenbond. Ontspannend om af en toe eens in te bladeren. Alleen is het grote verschil: vanaf het moment dat ik mijn iPhone ter hand neem, is er dat vingertje dat automatisch op het icoontje klikt van Facebook. Of Instagram. Moet.Nu.Gaan.Kijken. Dus die af en toe wordt al gauw: elk vrij moment. Een niet-aflatende stroom van perfectie dus.

En, menselijk als we zijn: ik ben niet perfect, dus -bam!- hier komt de confrontatie.

Stel, ik nestel me lekker in mijn zetel met een glas wijn en een zak chips. Ik weet gewoon dat er geschranst gaat worden, en ik heb er zin in. Ik doe even Instagram open en ik zie een foto van een bordje spinazie met zoete aardappel en wat zaden, aangevuld met hashtag healthy, hashtag paleo, hashtag fitbody hashtag veel seks. Dat laatste is mijn fantasie die nog even wat olie op het vuur gooit, but you get the point. Beteuterd kijk ik naar mijn kruidige, knisperende aardappelschijfjes en draai de zak om, om toch nog maar eens te checken of hier wel écht zoveel calorieën inzitten als beweerd wordt. Ik loop terug naar de keuken en kom terug met een klein kommetje chips. De gezondheidsfreaks zullen nu juichen: het werkt!!! Over de kaak van mijn innerlijke bourgondiër rolt een traantje naar beneden.

Of een ander scenario: ik die op een vrije dag in appartement wat hang te hangen in peignoir. Ik open dat verrekte internet en ik word gebombardeerd met foto’s van mensen op de Crossfit, gewichtheffend op de fitness, of joggend in 1 of ander idyllisch herfstlandschap. Hop! Ik ben al weg. Moet. Ook. Goed. Doen. Sporten. Is. Goed. Dat ik op de fitness door mijn pesthumeur zo boos kijk dat ik zelfs een Kleerkast van een toestel wegjaag (ok, dat is wel handig) is een bijkomstigheid.

Of deze, ook een mooie: ik woon alleen en dit is maar tot op een bepaalde hoogte mijn eigen keuze. Zonder zielig te willen doen: ik had me mijn leven op deze leeftijd wel een tikje anders voorgesteld. Dan helpt het niet als ik weer gebombardeerd word met foto’s van koppels en gezinnetjes hashtag love hashtag mijn allesjes hashtag cosy hashtag samen kunnen we de wereld aan. Moet ik dan een foto posten van mezelf hashtag mijn niksjes of hashtag mijn plantjes?

Dit is totaal geen kritiek op mijn contacten die hun belevenissen ongetwijfeld totaal goedbedoeld willen delen met de wereld. Mijn gezonde, fitte, gezellige, hippe en lieve vrienden. Het is hen van harte gegund, hun perfect belichte, pastelkleurige leven met een mix van design en eclectische vintage meubelen en de leuke jungleplant in de hoek van de kamer. Maar er zijn zo van die dagen dat ik me vrij imperfect voel. En er zijn ook dagen dat ik daar moeilijk mee om kan gaan. Daarom zou het handig zijn mocht er een soort van filter op de Social Media staan.

Een keuzemenu, afgestemd op jouw mood, bijvoorbeeld:

  • NO FILTER: ik heb net geweldige seks gehad, ik hou van iedereen, bring it on! En je krijgt the whole charade, alle perfecte plaatjes, ongecensureerd, in hapklare brokken. En alles is zo mooi!

  • LIGHT FILTER: ik ben content, heb net een herfstwandeling gemaakt in mijn eentje. Alle koppel-foto’s worden gefilterd en de wereld bestaat uit lotgenoten die net als jij in een hippe bar in hun sterke, zelfbewuste eentje een latte macchiato aan het slurpen zijn.

  • ADVANCED FILTER: ik heb PreMenstrueelSyndroom en ga NU een reep chocolade in mijn keelgat rammen. Hell no, geen paleo en/of fitnesstoestanden, please. Ook liefst geen happy couple- of bikinifoto’s, doe maar wat life quotes. Met puppy’s en shit.

     Volgens mij is met dit idee wel grof geld te verdienen.

Maar misschien is het beter om eens een gelijkaardige filter in mijn hoofd te downloaden. Waar zit ik mezelf toch maar constant mee te voeden? Heeft er ooit iémand tegen mij gezegd dat ik dat ook allemaal moet? Of wil? Of moet willen?

Ik zal dus maar eens beginnen met het koesteren van mijn eigen, imperfecte zelf.

En als je me nu wil verontschuldigen, ik ga me een kommetje hashtag paleo hashtag banaan met hashtag hennep- en chiazaad maken.

Rome is ook niet op één dag gebouwd.

Hoe kan het dat jij nog single bent?


Ik ben dus single. Alleenstaand, zoals men dan zegt. Waarom eigenlijk niet alleen-liggend (da’s het ergste), of alleen-zittend? Alleen-levend, dat is een mooie.
Ik ben dus alleen-levend. Eigenlijk al lang.
Elke dag moet ik mezelf wel op één of andere manier verantwoorden waarom dat zo is.
Ik moet dus: een onhebbelijke bitch zijn, naar Camembert ruiken of over een onmogelijk eisenpakket beschikken.
Laat ons gewoon maar even van het laatste uitgaan.
Wat zoek ik dan, in een man?
Wel, mijn beste, daar zal ik eens onverbloemd antwoord op geven.

Ik ben geen super-oppervlakkige trut, maar ik kan het niet ontkennen: ik val op mooie mannen. Kom, schiet me maar neer. Ik kan er niets aan doen, het is al van in mijn kindertijd zo. Als ik puur instinctief mag kiezen val ik nog steeds op Ken van Barbie: groot, blond, blauwe ogen, mooi gebouwd, mooie tanden en tonnen stijl. Het plastieken kruis zullen we even door de vingers zien. Mijn eerste crush had ik toen ik zeven was, op Guy Reid van de Flying Doctors. Sorry, ik ben nu eenmaal een kind van eighties, maar daarvoor bestaat Google. Gevonden? Juist, een vleesgeworden Ken-pop. Dus: liefst een slanke man, groter dan mij (niet dat dàt een echte opgave is), een goeie bos haar op het hoofd (bonuspunten!), een tattooke hier en daar kan ik zeker wel pruimen (maar is geen must) en graag ogen waar de beruchte ‘twinkel’ inzit. De twinkel is het instrument dat me doet giechelen als een schoolmeisje wanneer je met me praat, zelfs al gaat het gesprek over de wereldeconomie. Gooi daar dan ook nog het vage maar o zo essentiële sex-appeal bij. Sex-appeal. What’s in a name? Ik weet al na een eerste ontmoeting of ik met jou ooit, à la limite wanneer ik heel heel heel dronken zou zijn, seks zou kunnen hebben. Indien ja: proficiat, je hebt sex-appeal! Nee? We zullen het bij een latte macchiato houden.

Conclusie: ik hou van verzorgde, mooie mannen. Is dit zo fout? Volgens mij niet. Ik ga mij ook niet voor mijn plezier afbeulen in de fitness om in mijn kleren te bijven passen! Het is dus maar fair dat er iets terugkomt, denk ik dan zo.

Dat brengt ons bij het volgende:

ik wil weergaloze seks! Massa’s en massa’s goeie seks! Mijn entourage-die-het-altijd-goed-voorheeft-met-mij (of toch het gedeelte dat geen goeie seks meer heeft), komt dan met de volgende uitspraak: ja, maar dat blijft toch niet duren’. Nou. Zal ik dan maar direct voor slechte seks gaan? Dan kan het zeker niet slechter worden. Dàt geeft pas een garantie op een lang en gelukkig huwelijk. Als het van bij het begin al slappe kost is, wat maakt het dan de moeite waard? De gezellige etentjes en namiddagjes koffieleuten? Daar heb ik mijn vriendinnen en vrienden voor, hartelijk bedankt.

Oh, nog zo een mooie: plaats me alstublieft op een voetstuk! Simpel: zeg tegen mij dat ik de mooiste en geweldigste vrouw ben die je ooit hebt ontmoet (ik ben ook geen achterlijke gans hé, maar hou er de magie wat in), in ruil daarvoor vertel ik jou dat je de beste minnaar ooit bent en dat je het meest goddelijke instrument bezit dat ik ooit bespeeld heb. En geloof me, op die manier zal ik veel muziek maken! Laat de bespreking van mijn knappe collega die toevallig bikinimodel is en op de centerfold van de laatste Ché staat maar voor de avondjes met de vrienden. Echt.

Je mag ook wel intelligent zijn. Okee, je moét. En daarvoor hoef je echt geen universitair diploma te hebben. Geen taalfouten (typ-foutjes zijn ok), geen domme commentaren op social media en als jij dan absoluut de drang voelt om jouw mening in 1 of ander politiek getint debat te gooien, laat die dan genuanceerd zijn. Niks onaantrekkelijker dan iemand die als een grasmaaier in het wilde weg alles wat op zijn pad komt onderuit hakt. Wereldwijs is ook lekker. Echt waar. Zeker als we gaan uiteten. Hoé, jij wist niet dat carpaccio rauw is? zucht…

Qua karaktereigenschappen ook een must: zelfrelativering! Ja, je bent een topper omdat je een mooie deal hebt afgesloten, geprezen bent door je werkgever of opslag hebt gekregen! Hoera! Maar om dat dan op restaurant met een uitgestreken en blasé gezicht net luid genoeg te gaan verkondigen zodat ze het drie tafels verder ook horen…Wrong! Niks verkeerd met gewoon oprecht blij te zijn en even rond te springen. Ik spring wel mee. En so what als je bij het binnenkomen bijna over je eigen voeten struikelt omdat je zo onder de indruk van mij bent. No biggie, lach erover, maak er een grapje over, laat zien dat jij je niet de meerdere voelt van mij. Ik zal gegarandeerd beginnen kirren als een duifje.

Jij mag ook alles doen waar je zin in hebt. Roken, drinken, af en toe je geest eens verruimen. Maar: geen verslavingen. Ikzelf heb karakter genoeg om geen enkele verslaving in stand te houden, jij moet ook maar mans genoeg zijn. Trop is teveel. En stop op tijd. Af en toe is een fatale, zatte, uit de hand gelopen avond gigantisch lollig.

Vanaf het moment dat er zich een patroon begint te vormen is het al te laat. Waarschijnlijk zit ik dan al op de eerste trein richting Herwonnen Vrijheid.

En last but not least: laat me lachen. Echt lachen. Ik lach bijna altijd, die uitdrukking leent zich het meest tot de morfologie van mijn gezicht, maar ik lach zo graag om een stom grapje. Iets gevats. Wees creatief. Doorgaans: hoe droger de grap, hoe natter mijn -nee, grapjas!- …wangen.


Omdat een gewaarschuwd man er twee waard is: ik ga zeuren en klagen als ik net een vreselijke dag heb gehad op het werk, als ik een boete onder mijn ruitenwisser heb steken of de factuur van de gas weeral is opgeslagen.
Maar jij mag dat ook bij mij doen. Beloofd.
Daarna trekken we een lekker flesje wijn open en klinken we op ons, zagers.